62,4% van de zorgmedewerkers in Vlaanderen heeft een werkbare job. Dat is meer dan andere werknemers in Vlaanderen die vaker een job hebben die minder motiverend is en/of minder leerkansen biedt. Voor werkstress is er geen verschil, ongeveer 3 op 10 heeft stresserend werk. Opvallend is dat de 'drukke' jobs bij de zorgmedewerkers toegenomen zijn tussen 2004 en 2010. Dat blijkt uit de resultaten van de werk-baarheidsmonitor van de SERV – Stichting Innovatie & Arbeid.
In 2010 heeft 62,4% van de zorgmedewerkers in Vlaanderen een werkbare job. Dat is meer dan bij andere werknemers in Vlaanderen die vaker een job hebben die minder motiverend is en/of minder leerkansen biedt. Op het vlak van werkstress is er evenwel geen verschil, ongeveer 3 op 10 heeft stresserend werk. Opvallend is dat de 'drukke' jobs bij de zorgmedewerkers toegenomen zijn tussen 2004 en 2010. Dat blijkt uit de resultaten van de werkbaarheidsmonitor van de SERV – Stichting Innovatie & Arbeid.
De instrumenten worden gegroepeerd volgens de aard van de flexibiliteit. Er is de temporele flexibiliteit, waarbij de inzet van arbeid wisselt volgens tijdstip. Het aantal werknemers blijft wel gelijk, alleen het moment waarop men werkt is anders dan de klassieke werkdag van negen tot vijf. Een tweede belangrijke groep zijn de instrumenten van contractuele flexibiliteit: het aantal werknemers varieert binnen de onderneming of organisatie op basis van kortlopende arbeidscontracten of door arbeidscontracten tijdelijk op te schorten.
57,5% van het onderwijzend personeel in Vlaanderen heeft een werkbare job. Hun job zat in 2010 goed voor zowel werkstress, motivatie, leermogelijkheden als voor werk-privé-balans. In 2004 was de situatie ongeveer hetzelfde (58%). Zowel in 2004 als 2010 zien we dat heel veel leerkrachten/docenten met plezier aan de slag zijn maar dat een zeer grote groep ook aan werkstress lijdt door hoge taakeisen en emotionele belasting. Dat blijkt uit de resultaten van de werkbaarheidsmonitor van de SERV – Stichting Innovatie & Arbeid.
57,5% van het onderwijzend personeel in Vlaanderen heeft een werkbare job. Hun job zat in 2010 goed voor zowel werkstress, motivatie, leermogelijkheden als voor werk-privé-balans. In 2004 was de situatie ongeveer hetzelfde (58%). Zowel in 2004 als 2010 zien we dat heel veel leerkrachten/docenten met plezier aan de slag zijn maar dat een zeer grote groep ook aan werkstress lijdt door hoge taakeisen en emotionele belasting. Dat blijkt uit de resultaten van de werkbaarheidsmonitor van de SERV – Stichting Innovatie & Arbeid.
In deze nota wordt een werkbaarheidsprofiel geschetst van de metaalarbeider. Op basis van de data van de werkbaarheidsenquête van 2010 gaan we na op welke wijze de werkbaarheid van de job van de metaalarbeider verschilt van andere werknemers in Vlaanderen. Daarnaast maken we een vergelijking met 2004.
Overlegvormen zoals kwaliteitskringen, werkoverleg of teamwerk staan naast een hiërarchische structuur en komen er niet voor in de plaats. Dat is een van de bevindingen van het nieuwe themadossier in de reeks van het IOA 2011 onderzoek.
Ondernemingen die over competentieprofielen beschikken, zetten deze meestal breed in voor hun personeelsbeleid. Competentieprofielen hangen sterk samen met opleidingskansen maar ook met "loon naar werken" onder de vorm van prestatiebeloning. Dat blijkt uit het nieuwe themadossier Competentiebeleid op basis van de enquête Innovatie, Organisatie en Arbeid (IOA) 2011.
Ondernemingen die over competentieprofielen beschikken, zetten deze meestal breed in binnen hun personeelsbeleid. Competentieprofielen hangen sterk samen met diverse opleidingskansen, alsook "loon naar werken" onder de vorm van prestatiebeloning. Dat blijkt uit het nieuwe themadossier Competentiebeleid op basis van de enquête Innovatie, Organisatie en Arbeid (IOA) 2011.
Overlegvormen zoals kwaliteitskringen, werkoverleg of teamwerk staan naast een hiërarchische structuur en komen er niet voor in de plaats. Dat is een van de bevindingen van het nieuwe themadossier in de reeks van het IOA 2011 onderzoek.
De Stichting Innovatie & Arbeid onderzocht het effect van kennisbronnen en samen-werkingsverbanden met kenniscentra op innovatie binnen bedrijven en organisaties. Hoe meer kennisbronnen bedrijven gebruiken, hoe meer ze innoveren. Hoe groter be-drijven zijn, hoe meer interne en externe kennisbronnen ze gebruiken. Samenwer-kingsverbanden verhogen de kans op innovatie. Bedrijven en organisaties sluiten min-der samenwerkingsverbanden met de klassieke kenniscentra. Niettemin leidt samenwerking met de klassieke kenniscentra tot een groter effect op innovatie, zeker bij KMO's.
De Stichting Innovatie & Arbeid onderzocht het effect van kennisbronnen en samenwerkingsverbanden met kenniscentra op innovatie binnen bedrijven en organisaties. Hoe meer kennisbronnen bedrijven gebruiken, hoe meer ze innoveren. Hoe groter be-drijven zijn, hoe meer interne en externe kennisbronnen ze gebruiken. Samenwer-kingsverbanden verhogen de kans op innovatie. Bedrijven en organisaties sluiten minder samenwerkingsverbanden met de klassieke kenniscentra. Niettemin leidt samenwerking met de klassieke kenniscentra tot een groter effect op innovatie, zeker bij KMO's.
Of een bedrijf of organisatie beoordelings- en functioneringsgesprekken houdt, hangt sterk samen met de opleidingskansen die werknemers krijgen. Bovendien komen deze gesprekken en systemen van prestatiebeloning meer voor in grote en snelgroeiende ondernemingen en organisaties. Dat blijkt uit een nieuw themadossier op basis van de screening Innovatie, Organisatie en Arbeid (IOA) 2011.
Deze nota bespreekt de resultaten van de werkbaarheidsmonitor met betrekking tot de inschatting van de werknemers om hun job al dan niet tot hun pensioen verder te kunnen zetten. We gaan na of deze inschatting verschilt voor verschillende deelpopulaties en vergelijken ook de gegevens van 2007 met de gegevens van 2010. Verder kijken we ook welke factoren in de arbeidssituatie een verklaring kunnen bieden waarom werknemers denken het niet tot hun pensioen vol te houden in hun huidige job.
Deze nota bespreekt de resultaten van de werkbaarheidsmonitor met betrekking tot de inschatting van de zelfstandige ondernemers om hun job al dan niet tot hun pensioen verder te kunnen zetten. We gaan na of deze inschatting verschilt voor verschillende deelpopulaties en vergelijken ook de gegevens van 2010 met de gegevens van 2007. Verder kijken we ook welke factoren in de arbeidssituatie een verklaring kunnen bieden waarom zelfstandige ondernemers denken het niet tot hun pensioen vol te houden in hun huidige job.
De overtuiging dat zoveel mogelijk werknemers aan het werk moeten zijn en blijven wordt breed gedeeld. Ook de Vlaamse Regering en de Vlaamse sociale partners pleiten in hun toekomstpact 'Vlaanderen 2020' voor langere loopbanen, voor duurzame inzetbaarheid. De meeste werknemers (68,4%) denken ook dat ze in hun huidige job kunnen doorwerken tot hun pensioen. Een grote groep (26,7%) denkt het evenwel niet te halen, tenzij het werk aangepast zou worden. Een kleine minderheid (5,1%) stelt sowieso niet te kunnen doorwerken in de huidige job.
Veel zelfstandige ondernemers hebben een drukke job met lange werkdagen. Uit de werkbaarheidsenquête van 2010 blijkt dat meer dan de helft (58%) meer dan 50 uur per week werkt. De meesten denken te kunnen doorwerken tot hun pensioen (71,8%) maar een grote groep (26,4%) denkt het enkel te halen als het werk aangepast zou worden.
Of een bedrijf of organisatie beoordelings- en functioneringsgesprekken houdt, hangt sterk samen met de opleidingskansen die werknemers krijgen. Bovendien komen deze gesprekken en systemen van prestatiebeloning meer voor in grote en snelgroeiende ondernemingen en organisaties. Dat blijkt uit een nieuw themadossier op basis van de screening Innovatie, Organisatie en Arbeid (IOA) 2011.
In zijn driejaarlijkse Innovatie-Organisatie-Arbeid (IOA) screening peilt de Stichting Innovatie & Arbeid naar de trends in het toepassen van nieuwe of innovatieve vormen van bedrijfsvoering, personeelsbeleid, en management- of organisatieconcepten.
Daaruit blijkt dat bedrijven het meest (62,5%) procesinnovaties gevolgd door technologische (48,2%) en product- en diensteninnovatie (42,6%). In minder mate innoveren ze in de arbeidsorganisatie (33,0%) en het personeelsbeleid (23,8%). Bedrijven die innoveren doen dat meestal op meerdere domeinen tegelijk.
In zijn driejaarlijkse Innovatie-Organisatie-Arbeid (IOA) screening peilt de Stichting Innovatie & Arbeid naar de trends in het toepassen van nieuwe of innovatieve vormen van bedrijfsvoering, personeelsbeleid, en management- of organisatieconcepten.
Daaruit blijkt dat bedrijven het meest (62,5%) procesinnovaties gevolgd door technologische (48,2%) en product- en diensteninnovatie (42,6%). In minder mate innoveren ze in de arbeidsorganisatie (33,0%) en het personeelsbeleid (23,8%). Bedrijven die innoveren doen dat meestal op meerdere domeinen tegelijk.




